Op maandag 25 September 1786 overleed Christianus Bonten in Wijlre, hij was op dat moment slechts 7 maanden oud. Christianus was het derde kind van de zeven kinderen van Joannes Petrus Bonten (1751-1804) en Maria Catharina Crijns (1755-1834) die in Wijlre gedoopt werden. Van deze zeven kinderen droegen er drie de naam Christianus. De eerste twee kinderen met die naam overleden binnen hun eerste levensjaar: Christianus Bonten, gedoopt op 21 oktober 1781 te Wijlre, met peetouders Christianus Krints (†1801) en Anna Catharina Pannackers (ca. 1734-1812) overleed 3 maanden later op 29 januari 1782. Christianus Bonten, gedoopt op 29 januari 1786 te Wijlre,met peetouders wederom Christianus Krints en Maria Sophia Lemmens (ca. 1746-1819), overleed 7 maanden oud op 25 september 1786.
De doopgetuigen bij deze twee Christianen waren ten eerste Christiaan Krints, oftewel Christiaan Crijns. Hij was de grootvader van de dopelingen. Hij was afkomstig van Hulsberg, waar hij in 1801 overleed. Hij zou later ook nog optreden als doopgetuige van zijn derde kleinzoon die de naam Christianus Bonten kreeg.
Anna Catharina Pannackers was een nicht van vader Joannes Petrus Bonten. Zij werd geboren uit een buitenechtelijke relatie die Maria Agnes Bonten (ca. 1716 geboren) had met een onbekende telg uit de familie Pannackers.
Maria Sophia Lemmens is een directe voorouder van mij via mijn moeders kant. Wat haar relatie tot de familie Bonten of de familie Crijns was, is mede door het ontbreken van de doop- en trouwregisters in Wijlre nog niet duidelijk.
Naast de twee vroeg gestorven Christianen kregen ouders Joannes Petrus Bonten en Maria Catharina Crijns nog vijf kinderen, die allen in Wijlre gedoopt werden. Achtereenvolgens waren dit Joannes Bonten (1782-1850), Maria Gertrudis Bonten (1787-1842), Christianus Bonten (geboren 1791), Maria Agnes Bonten (1795-1805) en tenslotte Maria Cornelia Bonten (1799-1860).
Zoon Joannes Bonten bleef vrijgezel en stierf kinderloos in Etenaken.
Maria Gertrudis trouwde op 5 april 1815 met Nicolaas Linckens (1790-1873), met wie zij in Wijlre bleef wonen. Zij kregen zeven kinderen, waarvan alleen oudste dochter Maria Catharina Linkens een volwassen leeftijd bereikte.
Maria Agnes Bonten overleed op 10-jarige leeftijd op 11 oktober 1805 in Wijlre.
Jongste dochter Maria Cornelia Bonten trouwde op 11 oktober 1830 met Wilhelm Strich, volgens de katholieke huwelijksregistratie afkomstig uit Loverich in het bisdom Keulen, en volgens de burgerlijke stand afkomstig uit Floverich. Nu bestaat er wel een Loverich bij Baesweiler, maar dat was bisdom Aken. In bisdom Keulen lijkt qua naam eigenlijk alleen Lövenich op deze plaatsnaam. Het zal dus nog even onderzoek in Duitse archieven nodig hebben om helderheid te krijgen over zijn werkelijke geboorteplaats. Uit dit huwelijk werden voor zover bekend maar twee kinderen geboren; zoontje Joannes Hubertus overleed in 1834 op 4-jarige leeftijd, van dochter Anna Maria Strich heb ik buiten haar doop op 2 september 1833 nog niets terug gevonden.
Dit verhaal begon met een Christianus Bonten en eindigt ook met een Christianus Bonten. De derde zoon van het gezin die deze naam mee kreeg, werd in Wijlre gedoopt op 24 september 1791. Peetouders waren zijn grootvader Christianus Crijns en Joanna Maria Stenebrugh, relatie onbekend. Zoals het overgrote deel van de jongens uit de regio was hij voorbestemd om in de landbouw te gaan werken. Doordat Nederland na zijn geboorte echter onderdeel van het Franse Rijk werd, kwam daar nog een optie bij. Onder koning Lodewijk Napoleon werd in 1810 binnen Nederland de conscriptie ingevoerd. Alle mannen vanaf 20 jaar waren dienstplichtig. Per gemeente werd er door de burgemeester een lijst van dienstplichtigen opgesteld. De lijsten van de gemeentes werden vervolgens per kanton samengevoegd, en vervolgens op loterijbriefjes geschreven. Deze briefjes werden in een grote doos verzameld, en bij een openbare loting werden de loten vervolgens publiek getrokken. Wanneer iemand door loting aan de dienstplicht moest voldoen, bestond nog de optie om een vervanger in te huren. Aangezien de oorspronkelijke dienstplichtige hiervoor moest betalen aan de vervanger, was deze luxe alleen voor de welgestelden weggelegd.
In het geval van Christianus Bonten werd de lijst waarop hij voor kwam in 1811 opgesteld in de gemeente Wijlre en werd de loting uitgevoerd in Gulpen, de hoofdplaats van het kanton Gulpen. Helaas voor Christianus Bonten viel hem het lot ten deel dat hij de dienstplicht voor het Franse keizerlijke leger moest gaan vervullen. Geld om een vervanger in te huren, was er niet en zo kwam het dat hij op 29 augustus 1811 werd ingedeeld bij het 25e Regiment de la Ligne, dat uit ca. 1600 man bestond.

Samen met circa 15.000 andere Nederlandse rekruten werd Chrétien Bonten, zoals zijn verfranste naam luidde, daarna onderdeel van de Grande Armée die in 1812 naar Rusland trok. Slechts zeer weinigen van deze Nederlandse rekruten keerde nog terug naar Nederland. In de Franse militaire archieven staat bij Christianus Bonten als toevoeging: Présumé prisonnier en Russie en 1812, oftewel “Waarschijnlijk krijgsgevangen genomen in Rusland in 1812”.

In “Hollandse krijgsgevangenen in Rusland, 1812-1814” door Joost Welten staat een stuk beschreven over de handelingen van o.a. het 125e en 126e regiment, waar Christiaan Bonten deel van uitmaakte:
Na de verloren slag bij Polatsk op 18 en 19 oktober 1812 trok het Franse legerkorps waar het 126 e linieregiment deel van uitmaakte zich terug naar de zuidelijker gelegen hoofdweg van Smolensk naar Moskou. Het genoemde regiment kreeg de opdracht om Russische troepen aan zich te binden bij Borisov. De genoemde hoofdweg van Moskou naar Smolensk passeerde in dit dorp de rivier de Berezina, maar de brug over deze rivier was door de Russen verwoest. Napoleon zat hier in de tang tussen diverse Russische legerkorpsen. Om een uitweg te forceren, liet hij op 26 november ten noorden van Borisov twee nieuwe bruggen slaan. Als afleidingsmanoeuvre vochten het 125 e en 126 e linieregiment, samen met enkele andere regimenten, bij Borisov, alsof Napoleon de Berezina nog steeds op deze plek wilde oversteken. Deze troepen wilden zich daarna terugtrekken naar de bruggen die Napoleon ten noorden van Borisov had laten slaan, maar ze namen een verkeerde route en stuitten op een overmacht aan Russische troepen. Van Wetering [noot: Jan Willem van Wetering was een soldaat van het 126e regiment die de veldtocht naar Rusland overleefde] beschrijft het aldus:
Wij behoefden niet ver te marcheren om de Russen aan te treffen, want wij waren rondom door hen ingesloten en daar wij bestemd waren om den vijand zo lang mogelijk tegen te houden, om onze troepen tijd te geven, om over de bruggen te trekken, moesten wij hun dadelijk het hoofd bieden, zodat wij de 27 e November de hele dag tot ’s avonds 10 uur met hen een scherp vuur hebben onderhouden. Die dag zijn er met duizenden aan onze zijde door kogels getroffen, niet alleen van de strijdbare manschappen, maar ook en wel met het grootste gedeelte van die ongelukkigen, die hun corpsen hadden verlaten, geëmployeerden, marketentsters, vrouwen en kinderen, die in de colonne waren ingedrongen.
De volgende dag capituleerde generaal Partouneaux, de commandant van de Franse divisie. Hierdoor belandden vele duizenden militairen in krijgsgevangenschap, onder wie sergeant Van Wetering:
Wij werden tesamen gedreven, en in colonnes van 3 à 4000 mannen en vrouwen en kinderen van bijna alle natiën verdeeld en bivakkeerden die dag bij Borishof, waar onze ellende, die niet te beschrijven is, eerst een aanvang nam, want daar scheen geen tijd te zijn om aan het hoogstnodige, dat die ongelukkigen behoefden, te denken.
De volgende dag zetten de colonnes zich in beweging. De bewakers doodden met hun lansen elke krijgsgevangene die vanwege uitputting de colonne niet langer kon volgen.
Dit toneel duurde 15 dagen, ’s nachts in de open lucht, daags marcheren op 3 à 4 voet hoge sneeuw, zonder hooi, stro, brand of voedsel (…). Dit duurde voort, totdat wij op onze bestemming te Witebsk kwamen. De laatste vier dagen echter bekwamen wij een redelijk rantsoen brood (…). Ook werden wij minder streng bewaakt. Dit kon toen gemakkelijk plaats hebben, omdat onze troep gedurende het transporteren tot op 1/3 na verminderd was.
Van Wetering had het geluk dat de kozakken hem niet van zijn geld hadden beroofd. Daardoor was hij in staat om eten en kleding aan te schaffen en een chirurgijn te laten kijken naar zijn bevroren voeten. De aankomst in Witebsk betekende niet het einde van de ellendige situatie voor de krijgsgevangenen: velen overleden er aan uitputting en besmettelijke ziekten. Van Wetering koos voor een pragmatische uitweg uit zijn benarde situatie: hij nam dienst bij de vijand. Volbloed Fransen konden geen gebruik maken van deze optie, wat mede verklaart waarom zij minder overlevingskansen hadden dan ‘Duitse’ of Hollandse krijgsgevangenen.
Daar was in de eerste dagen van onze aankomst alhier, voor menigeen uitkomst gekomen. Er werd namenlijk een publicatie afgelezen, dat allen, die verkozen dienst te nemen bij het Russisch-Duitse Legioen, zich konden aangeven, met uitzondering van Fransen. Hiervan maakte ik met velen gebruik en engageerden ons bij gemeld Legioen in dezelfde rangen, waar bij het Franse leger in gediend hadden, en wel voor zo lang, dat ons Vaderland van de Fransen gezuiverd zou zijn.
Hoewel dit Russisch-Deutsche Legion in de militaire geschiedenis een bescheiden rol heeft gespeeld, is het niet te veronachtzamen vanwege de mogelijkheid die het bood om de krijgsgevangenschap te verlaten. 23 Krijgsgevangenen waren afhankelijk van dergelijke buitenkansen. Wie het geluk niet naar zijn hand wist te zetten, was ten dode opgeschreven. Een sterk gestel was niet voldoende, want alle krijgsgevangenen waren in beginsel kerngezonde jongemannen.
Niet alleen uitputting en ziekten eisten hun tol. De kozakken die de napoleontische militairen krijgsgevangen namen, beroofden hen van alles wat waarde had, inclusief kleren, hoofddeksel en schoenen. Terwijl het streng vroor, lieten ze de krijgsgevangenen zich poedelnaakt uitkleden, waarna ze hun niet meer dan een vod als kleding gaven. De aquarellen die de Italiaanse artillerieofficier Pisani heeft gemaakt van een dergelijk tafereel, dat hij zelf had meegemaakt op 25 november 1812, zijn schokkend om te zien. 25 Dagenlang gaven de kozakken de krijgsgevangenen geen eten, terwijl ze hen ’s nachts lieten bivakkeren in de sneeuw, vaak zonder hen in de gelegenheid te stellen om een vuur aan te steken. Van Wetering had in feite dubbel geluk, doordat hij in de cruciale periode van het begin van zijn krijgsgevangenschap nog over geld beschikte en doordat hij de gelegenheid kreeg om dienst te nemen in het Russisch-Duitse legioen.
Van Christianus Bonten zijn jammer genoeg geen brieven bekend, hij is ook niet meer teruggekeerd naar zijn geboortegrond. We mogen aannemen dat hij tot het grote gedeelte krijgsgevangenen behoorde, dat tijdens de gevangenschap in Rusland is gestorven. Daarmee is met het overlijden van zijn broer Joannes Bonten op 5 maart 1850 in Etenaken deze tak van de familie Bonten in de mannelijke lijn uitgestorven.