Mees Bonten (1714-1786) en zijn werk als knecht op de banmolen

Via verschillende bronnen is bekend welk werk Mees Bonten in de achttiende eeuw verrichtte. Uit zijn huwelijksregistratie van het huwelijk met Eva Odekercken van 6 november 1740 blijkt dat hij op dat moment Dragonder in het Staatse Leger in Maastricht was, onder Kapitein Massau en Kolonel Heijlman. Uit het militaire stamboek van dit regiment dragonders blijkt dat hij op 4 februari 1738 bij het leger is gegaan en tot 2 december 1740 in dienst is geweest. Vóór die tijd was hij werkzaam als boer.
Na zijn korte militaire loopbaan is hij waarschijnlijk in dienst gegaan als knecht bij de banmolen van Valkenburg, want daar is hij op 1 april 1745 een van de drie vaste werklui die in dienst zijn als het pachtcontract van de molen wordt verlengd. Rondom elke watermolen langs de Geul waren zogenaamde Banaliteiten geregistreerd. Dit waren grondgebieden waarbinnen de inwoners verplicht waren om bij de toegewezen molen hun grondstoffen te laten malen.
Het werk van de molenknechten bestond uit het ophalen van het te malen goed uit de dorpen van de banaliteit, het helpen met malen en vervolgens het weer terugbrengen van het gemalen goed naar de dorpen binnen de banaliteit.
Wanneer Mees Bonten op 23 maart 1748 een geldlening aangaat bij Bartholomeus Schutjens uit Valkenburg, wordt vermeldt dat de echtgenoot van Eva Odekercken werkzaam is als molenknecht in Valkenburg.
Anderhalf jaar later duikt de naam van Mees Bonten weer in een notariële akte op. Deze keer geen saaie beschrijvingen van de ligging van grondstukken en bedragen. Nee, deze akte betreft een aantal verklaringen met betrekking tot het ongepaste gedrag van dhr. Jan Hendrick Swildens, een van de twee pachters van de banmolen van Valkenburg, en Maria Margarete Wateler, dochter van Johan Arnold Wateler, en zus van de andere pachter van de molen. Gedurende de jaren 1747 en 1748 hebben Jan Hendrick Swildens en Maria Margareta Wateler blijkbaar een relatie gehad, die schijnbaar in 1749 voorbij was.
Door getuigenverklaringen van het gedrag van de twee geliefden op te nemen, wilde vader Johan Arnold Wateler mogelijkerwijze afdwingen dat Jan Hendrick Swildens alsnog zijn relatie met Maria Margareta Wateler zou voortzetten en met haar zou trouwen. Naast het feit dat beide heren pachter van de banmolen waren, waren zij namelijk ook van het Protestantse geloof en beiden waren voorlezer en koster in een hervormde gemeente; Swildens in Schimmert en Houthem, Wateler in Klimmen. Aangezien de Hervormde gemeenschap in het overwegend Katholieke Zuiden een minderheid vormde, was de vijver met geschikte huwelijkskandidaten voor Maria Margareta Wateler niet heel groot, zeker niet nadat ze in het publiek een relatie had onderhouden met Jan Hendrick Swildens.
In de notariële akte van 16 december 1749 worden op verzoek van Johan Arnold Wateler, vader en momboir van Maria Magdalena Wateler de werknemers en enkele omwonenden van de banmolen van Valkenburg gehoord en hun verklaringen worden nauwgezet door notaris Josephus l’Allemand opgetekend:

Blz 1
Blz 2
Blz 3

Op heeden den 16den Xbris des jaers 1749 sijn personelijck voor mij ondergeschreven Conincklijken notaris voor haere majesteijts souvereijnen Raade geordonneert in Brabant geadmitteert, binnen de stadt Valckenborgh residerende, ende ter presentie van de ondergenoemde getuijgen gecompareert, de eersaemen Andries Henssen maalknecht in de Bannael Moolen tot Valckenborgh, Bartholomeus Bonten geweesen peertsknecht in de voorss. Bannael Moolen, Gerard Ramackers oock als knecht in de gemelte moolen gedient hebbende, Joes Eerens Meester Smit woonende bij de voorss moolen, Peter Ernest beenhacker van Valckenborgh, ende Geertruijd Laurens in huwelijck met Joannes Schetters, alle aen mij notaris wel bekent,
denwelcke voorgenoemde comparanten eenpaerlijck en soo te saemen als elck van hun int beseonder hebben verclaert ende geattesteert sonder inductie off persuasie van jemand, en enckelijck in Laveux van Justitie, ter requisitie van Johan Arnold Wateler, voorleeser en custer van Climmen, als vader ende momboir sijne wettige dochter Maria Margaretha Watteler, dat het warachtigh is dat de voorgenoemden declaranten gesien hebben dat seeckeren Jan Hendrick Swildens voorleeser en custer van Houtem en naderhandt van Schimmert in de jaeren 1747 ende 1748 seer dickwils gecoomen is in de gemelte bannael Moolen, en als dan aldaer so met de voorgenoemde dochter van den requirent differente reijsen, langduijrige, drucke ende minsaeme conversatien, familiariteijten en vrijagien gehouden heeft, bijsonderlijck als wanneer haeren broeder Johan Mathias Wateler, pachter van gemelte moolen absent was, dat sij declaranten daerenboven gesien hebben dat meergemelden Jan Hendrick Swildens differente reijsen binnen eenig der caemers in de voorss bannael moolen met de gemelte dochter
van den requirent voor het meesten deel in absentie van haeren meergenoemden broeder eenige uijren, en selffs geheele halve daegen alleen gebleven is, selfs de drije eerstgenoemden declaranten verclaeren elck int besonder gesien te hebben, niet eene, maar selffs differente reijsen, dat den voorss. Jan Hendrick Swildens de boven genoemden dochter in die gemelte caemer alss elders der geseijde Maria Margareta Wateler omhelsde met sijne armen, ende alsoo een geruijmen tijdt met dusdaenige lieffkosterijen bij de voorss. dochter van den requirent bleeff sitten ende den tweeden en den derden genoemden comparant voeghten daer bij dat sij van tijdt tot tijdt alsdoens oock gesien hebben dat gemelten voorleser Swildens de meergenoemde Marie Margareta dickwils teerderlijck heeft gekust. Naerders verclaerde ende attesteerde den tweeden genoemden comparant int besonder en alleen
(opm: de 2e comparant is Bartholomaeus Bonten) dat in den somer des jaers 1748 en soo het hem geheught in den maent van julij, den voors. Jan Hendrick Swildens in de voorss. moolen gecoemen sijnde, tegens hem declarant geseijt heeft, naer dat hij van hem declarant geinformeert was dat de dochter van den requirent alnogh van Aken niet wedergecoemen was, de volgende woorden: Indien de suster van Wateler heeden wederom van Aken sal coemen, beliefft mij sulx aenstonts te coemen waerschouwen tot Schimmert, ick sal u daer voor wel betaelen. Indien sij niet heeden wedercoemt, soo en is niet noodigh dat ghij mij coemt waerschouwen, vermits ick s’anderen daghs gelijcxs daghs voor de poorte van Aken sal sijn, waer toe een peert hebbe doen gereijt houden maer dat de voorss. persoon van Aken gerverkeert sijnde denselven avont, hij declarant sulx heeft te peert bij voorss. Swildens laet in den avont gerapporteert, denwelcken hem daer voor vijff plaquetten gegeven heeft. Daer en boven verclaerde ende certificeert den tweeden genoemden comparant int particulier dat het hem declarant seer wel geheught dat den gemelten voorleser Swildens bij de absentie van voors. Jan Mathijs Wateler, broeder van gemelte Maria Margareta, eene seeckere nachte van den jaere 1748 in de gemelte bannael moolen boven de keucke caemer heeft blijven slaepen, ende dat hij declarant des anderen daghs s’morgens van de voorss. caemer den gemelten voorleser heeft sien afcoemen terwijlen hij declarant beesigh was om de moolen karren met sacken meel optelaeden, mitsgaeders verclaert oock int besonder dat den penultieme somer hij declarant hebbende achter hem te peert gebracht de voorss. doghter van den requirent tot Maestricht, den voorss. voorleser Swildens bij deselve dochter van den requirent in seeckere herberge de Stadt Siitaert tenselven daege, op St Bartholomeusdagh 1748, gecoemen is ende met haer in eene caemer aldaer ingegaen ende een geruijmen tijdt gebleven is, ende dat int wederkeren naer Valckenborgh den voorss. Swildens sigh op het peert, waermede hij declarant de voorss. Marie Margarete tot Maestricht gebrocht hadde, heeft geseth, ende achter hem opgenoemen de gemelde Marie Margareta Wateler, ende hij met haer over Rothem en Meerssen naer huijs gereeden is, waer door den declarant van Maestricht terugge te voet heeft moeten wederkeren, en waat het niet redelijcker en is als de waerheijt gestant te doen principaelijck des versoght sijnde soo hebben de declaranten dese hunne respective gegevene declaratien niet kunnen weijgeren dan deselve gerne in faveur en ter requisitie als voor gerelaveert, met offers van deselve respectivelijck met solemnelen eede te sullen corroboreren soo dickwils als sij daer toe competentelijck sullen versoght worden, gevende sij comparanten voor reedenen van wetenschap, dat sij den inhoude van hun respective gedeclareerde alsoo selffs gesien en gehoort hebben. Aldus gedeclareert op dagh en dato als voor aen, St. Peter bij Valckenborgh ten woonhuijse van den
eersaemen Joes Nelissen binnen de jurisdictie van Schin op de Geul gelegen ter presentie van de eersaemen Joes Nelissen ende van Jacobus Wouters, den laestgenoemdene jonckman en borger van Valckenborgh, beijde als getuijgen hier toe specialijck versoght ende geroepen.

Andies Henssen
Dit X is de merck van Bartholomees Bonten, verclaert hebbende niet te konnen schrijven
Geeradus Rameckers
Joannes Errenst
Dit is X X de merckteecken van Peter Ernest, verclaerende niet te konnen schrijven.
Dit X is de merck van Geertruijd Laurens, verclaerende niet te konnen schrijven
Joannes Nelesen

Dit X is de merckteecken van Jacobus Wouters verclaert hebbende niet te konnen schrijven.

Quod Attestor Josephus l’Allemand, Nots. Pubs. Regius.

De verklaringen van onder andere Bartholomaeus Bonten ten spijt, is Jan Hendrick Swildens niet met Maria Margaretha Wateler getrouwd. Zij is op 13 maar 1756 getrouwd met Joannes Niessen uit Heerlen. Later is het stel verhuisd naar Margraten, waar zij een zoon kregen.
Jan Hendrick Swildens overleed op 2 september 1772, circa 50 jaar oud, in zijn woonplaats Schimmert.

Tot wanneer Mees Bonten in de banmolen is blijven werken, is niet bekend. De eerstvolgende, tot nu toe bekende, notariële akte waarin zijn naam opduikt, is van 14 april 1764, maar hierin wordt geen beroep vermeld. In een akte van 23 februari 1768 wordt vermeld dat hij werkzaam is als paardenknecht bij dhr. Joannes Croon in St. Gerlach.

1 gedachte over “Mees Bonten (1714-1786) en zijn werk als knecht op de banmolen”

  1. Pingback: Mees Bonten (1714-1786) – michelbonten

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Content is protected !!
Scroll naar boven